polak

mannelijk (de)/poˈlɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) iemand afkomstig uit Polen
    Je hoorde heus wel eens 'smerige polak!' of 'Spaanse schoft!', maar een goed glas bier deed deze haast samenzweerderige beledigingen weer snel vergeten.
  2. uit Polen afkomstige Jood
    Zonder ook maar in het minst de eigen identiteit prijs te geven leefden de Portugese joden en polakken naast elkaar, maar op zakelijk terrein begonnen al snel allerlei belangen samen te vallen, hoewel het ook tot belangentegenstellingen kwam.

Etymologie

*van "Polak"