Olympus

mannelijk (de)/oˈlɪmpʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. afgezonderde verheven positie van mensen met meer aanzien of invloed
    Dit fatsoen hoorde bij een burgerlijk-hiërarchische samenleving met grote machts- en statusverschillen, waarin instellingen en bedrijven hun interne en externe omgeving vergaand konden beheersen. Zij bevonden zich op een olympus en werden minder dan nu met argusogen gevolgd en uitgedaagd.
    De ironicus is de moderne variant dus van het klassieke type voyeur-observateur. Zijn moeilijkheid blijft - en daarin onderscheidt hij zich van de ironicus uit vroeger eeuwen - dat zijn standplaats geen vaste olympus is boven het gewoel (zoals de vaste kosmische orde, waarin de mensen vroeger wortelden) maar een met de processen meerollende filmwagen.

Etymologie

*afgeleid door (figuurlijk) gebruik van "Olympus", in de Griekse mythologie waarop de goden wonen