Olympiade

vrouwelijk (de)/olɪmpiˈjadə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode in de Griekse oudheid van vier jaar, waarin men zich vroeger voorbereidde op de Olympische Spelen
  2. moderne Olympische Spelen zoals die telkens na een periode van vier jaar worden gehouden
    De sprinter uit Wierden brak op relatief late leeftijd door. In december 2005 werd hij Nederlands kampioen en maakte hij een paar maanden later zijn debuut op de Olympische Spelen. Met een teleurstellende achtste plek nam hij afscheid van de olympiade in Turijn. Tubantia Thomas Sijtsma 11-01-2017
  3. grote internationale wedstrijd op een bepaald wetenschapsgebied of niet-olympische sport
    Technasiumleerlingen van het Bonhoeffer College locatie Bruggertstraat hebben zaterdag de eerste prijs gewonnen tijdens de duurzaamheidsolympiade INESPO in Utrecht. Tubantia 11-04-2017
    De Nederlandse schaakequipe heeft bij de Olympiade in Bakoe een slechte beurt gemaakt. De uiteindelijke 36ste plaats is de laagste eindklassering ooit voor Nederland. Het toernooi in de hoofdstad van Azerbeidzjan werd gewonnen door de Verenigde Staten. NRC Ward op den Brouw 14 september 2016

Etymologie

*van """, dat teruggaat op Latijn "Olympiadis" (genitief van "Olympias") en "Ὀλυμπιάδες" (Olumpiádes) (genitief van "Ὀλυμπία") (Olumpía): "van de olympiade"; in de betekenis van ‘vierjaarlijkse internationale sportwedstrijd, tijdvak van vier jaar’ aangetroffen vanaf 1824

Vertalingen

EngelsOlympiad, olympiad, Olympiad
Fransolympiade, olympiade, olympiade