midasoren

meervoud/ˈmidɑsˌorə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lange, behaarde oren zoals een ezel die heeft
    Hij rekte de oren van Midas uit en bedekte ze met een grijs bontlaagje , zodat de koning zijn midasoren kreeg.
  2. figuurlijk (figuurlijk) ontbrekend beoordelingsvermogen
    (…) dat inderdaad zelfs een jandoedel of een minkukel met midasoren de hoofdplaats van de provincie Antwerpen kan raden, (…)
    In vergelijking met de orthodoxie, een grote reus met een monsterlijk stel midasoren, waren de vrijdenkers dwergjes.
  3. plantkunde (plantkunde) benaming voor ezelsoor

Etymologie

*, (eponiem): een verwijzing naar koning van Phrygië uit de Griekse mythologie die als straf van de god Apollo de oren van een ezel kreeg, in de betekenis van ‘ezelsoren’ voor het eerst aangetroffen in 1856