Mast

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) lange, rechtop staande paal midden op het schip waaraan vlaggen, zeilen en/of ra's bevestigd kunnen worden
  2. palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
  3. lange paal voor vlaggen - vlaggenmast
  4. hoge antenne
  5. varkensvoer, bestaande uit eikels en beukennoten

Etymologie

* In de betekenis van ‘paal’ voor het eerst aangetroffen in 1080

Uitdrukkingen

  • de mast strijken
  • de mast kappen
  • voor de mast dienen
  • voor de mast zitten

Vertalingen

Engelsmast, pylon, pole
Fransmât, mâtereau, mestre
DuitsMast, Mast, Mast
Spaansmástil, palo, árbol
Italiaansalbero
Poolsmaszt, słup, maszt
Zweedsmast, mast, stång
Deensmast