Lens
mannelijk/vrouwelijk (de)/lɛns/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (optica) een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
- (fotografie) een stelsel van lenzen(1) of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerdMet welke lens ga je die foto nemen?
- (optica) een zeer kleine glazen of kunststof lens(1) die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril.Lenzen staan je veel beter dan een bril!
- (verouderd) een langgerekt wapen waarmee walvissen doorstoken werden
- (anatomie) deel van het oog dat de lichtstralen breekt
- pen, spie
Etymologie
*mogelijk via "lens" van "lens" "linze", vanwege de overeenkomst in vorm
Vertalingen
Engelslens, lens, lens
DuitsLinse, Linse, Kontaklinse
Spaanslente, objetivo, lente de contacto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek