objectief

onzijdig (het)/ˌɔpjɛkˈtif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. optica (optica) de lens (of het lenzenstelsel) van een optisch instrument (bijvoorbeeld een microscoop of verrekijker) die zich het dichtst bij het te bekijken voorwerp ('object') bevindt
    Een camera met een verwisselbare objectieven.
  2. doelwit, oogmerk

Etymologie

*afgeleid van het Franse objectif of daarvoor van het Latijnse 'obiectivus'

Vertalingen

Engelsobjective, lens, objective
Fransobjectif, objectif, objectivement
DuitsObjektiv, objektiv
Spaansobjetivo, objectivo
Italiaansobiettivo
Portugeesobjetiva
RussischОбъектив
Chinees物镜
Japans対物レンズ
Koreaans사진 렌즈
Arabischعدسة فوتوغرافية
Turkslens
Poolsobiektyw
Zweedsobjektiv
Deensobjektiv