Klooster
onzijdig (het)/klostər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde), (religie) een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd isMonniken leven vaak in een klooster.Hij had de foto van ons klooster speciaal voor mij ingelijst.Bij de vijftiende-eeuwse kerk had vroeger een klooster gestaan.
- (religie), (metonymisch) een kloostergemeenschap als zodanigHij was van plan om een klooster te gaan stichten.Soms antedateerde hij zijn geboortedatum, om aan te geven dat zijn vader eigenlijk nog geen priester was bij zijn geboorte, dan weer wilde hij suggereren dat hij heel jong was toen hij de beslissing nam het klooster in te gaan en de geloften af te leggen.De tweede werd geboren in de zesde eeuw. Eigenlijk was hij een zeer eenvoudige monnik, die later abt werd van het klooster in Myra. Een bijzonder vrome man, die door zijn gebed de mensen kon genezen. Hij overleed op 10 december van het jaar 564.
Etymologie
*Komt van het Latijnse woord claustrum (afgesloten plaats), dat weer van claudere (afsluiten) komt.
Vertalingen
Engelsmonastery, convent, monastery
Franscouvent, monastère, couvent
DuitsKloster, Kloster
Spaansconvento, monasterio, convento
Deenskloster
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek