Ketting

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɛtɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een aaneengesloten reeks van gelijksoortige elementen, feiten, acties, gebeurtenissen etc.
    Steeds meer kinderen haakten in en zo ontstond een levende ketting.
  2. techniek (techniek) een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
    Het schip werd aan de ketting gelegd.
    Soms ook gehuld in een schapevacht, een ruige muts op het hoofd en een ketting in de hand. Of verkleed als duivels... 'Zijn hier ook stoute kinderen? ??
  3. techniek, werktuigbouwkunde (techniek), (werktuigbouwkunde) een eindeloze band van schakels met rollen of haken, die over kettingwielen gespannen, kracht overbrengt
    De ketting van mijn fiets moet nodig worden gespannen, hij loopt steeds van het kettingwiel af.
  4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
    Zij droeg een prachtige ketting met amethisten.
  5. textiel (textiel) schering, de rechte draden waartussen de inslag ingeweven wordt

Etymologie

*In de betekenis van ‘samenstel van schakels’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401

Uitdrukkingen

  • het schip is aan de ketting gelegdgerechtelijke in beslag genomen
  • van de ketting zijndollen als een losgelaten kettinghond

Vertalingen

Engelschain, chain, drive chain
Franschaine, chaîne, chaine
DuitsKette, Kette, Antriebskette
Spaanscadena, collar
Italiaanscollana
Portugeescolar
RussischБусы
Chinees项链
Arabischقلادة (مجوهرات)
Turkskolye
Poolsnaszyjnik
Zweedshalsband
Deenshalskæde