keten

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈketə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
    En men stelde zich voor hoe de machtige Nicolaas, ieder jaar op zijn feestdag, de duivel in ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde.
  2. figuurlijk (figuurlijk) iets waardoor men gebonden is, dat de vrijheid belemmert
    Hij wist zijn ketenen te verbreken en zijn vrijheid te herwinnen.
  3. figuurlijk (figuurlijk) onderling in verband staande rij van gelijksoortige zaken
    Het eiland wordt doorsneden door een keten van vulkanen.
  4. figuurlijk (figuurlijk) vergelijkbare bedrijven op verschillende plaatsen die samen naar hun klanten als een geheel functioneren
    Hij bouwde het eethuisje van zijn ouders uit tot een keten van restaurants.
  5. figuurlijk (figuurlijk) in de tijd opeenvolgende reeks van gelijksoortige verschijnselen
    Het conflict ontstond door een keten van misverstanden.
  6. aantal doorlopen gerelateerde stappen in een proces
    „Ik vind het vooral vervelend dat iedereen in de keten ná mij wel geld aan mijn aardappelen verdient. Van de vrachtwagenchauffeur die ze komt halen, tot de frietfabriek, de supermarkt en iedereen ertussen.”[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/12/25/bij-aardappelboer-maarten-van-der-loo-blijven-bergen-piepers-liggen-zo-erg-is-het-nog-nooit-geweest-a4916132 www.nrc.nl (25 dec 2025)]
werkwoord
  1. inerg, informeel (inerg) (informeel) lol trappen, op een rumoerige manier plezier hebben

Etymologie

*[C] "keet" "gebouwtje voor tijdelijk verblijf" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelschain
DuitsKette
Spaanscadena
Zweedskedja