Heide

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɛidə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie, plantkunde (geologie), (plantkunde) een met heidekruid begroeide vlakte
    Zijn huis staat in het midden van een grote heide.
  2. geologie (geologie) uitgestrekte, onbebouwde zandgrond

Etymologie

*(erfwoord) Van heide, hede, van *heitha, *hētha, van *haiþī, *haiþijō.

Vertalingen

Engelsheath, moor
Fransbruyère, lande
DuitsHeide
Spaansbrezal, landa
Italiaansbrughiera
Portugeescharnecas
Russischвересковые пустоши
Poolswrzosowisko
Zweedshedmark
Deenshede