Geer

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣer/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. heraldiek (heraldiek) ieder van de gelijke driehoekige vakken die door gelijktijdig gebruik van een aantal hoofdlijnen ontstaan
    Een wapen zoals dat van Almere met acht geren wordt "gegeerd van acht stukken" genoemd.
  2. spits toelopende strook stof of papier. Bv. Mercator's globes waren beplakt met bedrukte geren.
  3. scheve zijde van een gebouw of stuk land
  4. niet-joodse man die volledig is overgegaan tot het jodendom, proseliet

Etymologie

* [4] Herkomst: Hebreeuws, letterlijk: 'vreemdeling, bekeerling'

Vertalingen

Engelsgyron, ger
Italiaansgherone