Elleboog
mannelijk (de)/ˈɛləˌbox/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) gewricht in het midden van de arm dat de bovenarm met de onderarm verbindToen stootte hij mij aan met zijn elleboog.
- iets dat rechthoekige omgebogen is
Etymologie
* In de betekenis van ‘gewricht tussen beneden- en bovenarm’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- de ellebogen gebruiken — voordringen door anderen opzij te duwen
- iets achter de ellebogen hebben — plannen verborgen houden, iets in je schild voeren, snode plannen hebben
Vertalingen
Engelselbow
Franscoude
DuitsEllenbogen, Ellbogen
Spaanscodo
Italiaansgomito
Portugeescotovelo
Japans肘
Koreaans팔꿈치
Turksdirsek
Poolsłokieć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek