Doel

onzijdig (het)/dul/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het punt waarop men zich richt
    Het doel van deze vergadering was het herzien van het schoolreglement.
    Niet alles hoeft een doel te hebben, hoor, een eindbestemming.
    Ze waren niet op zoek naar de opwinding van het doden, maar alleen naar de kameraadschap die voortvloeide uit het hebben van een gemeenschappelijk doel.
  2. sport (sport) een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld, een bal die daarin op correcte wijze terechtkomt, levert een doelpunt op voor de tegenstander
    Het doel op het speelveldje heeft geen net.

Etymologie

* In de betekenis van ‘mikpunt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1579

Uitdrukkingen

  • een haalbaar doeldat kan
  • zich iets ten doel stellenzich iets voornemen
  • een bal voor open doeldat is wel heel makkelijk en voor de hand liggend
  • het doel heiligt de middelenvoor een goed doel zijn alle middelen toegestaan (dat is overigens maar zelden het geval vaak heiligt het doel de middelen juist niet)
  • je doel voorbij schietenje voornemen niet halen door te veel te doen

Vertalingen

Engelsgoal, goal
Fransbut
DuitsZiel, Tor
Poolscel, bramka
Zweedsmål