target
/ˈtɑrɡət/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- doel, streefwaarde
- (bedrijfskunde) grootte van de nagestreefde omzet van een bedrijf of deel daarvanMaar na een week in de woestijn en 5.000 dollar lichter, zit je vaak gewoon weer op maandagochtend op kantoor in een vergadering over targets.
- (economie) waarde die een aandeel op de beurs volgens deskundigen op afzienbare termijn (enkele maanden tot een jaar) zal bereiken
- (natuurkunde) materiaal dat in een deeltjesversneller als doelwit dient voor de bundel versnelde deeltjes
Etymologie
*van "target"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek