Breidel

mannelijk (de)/'brɛɪdɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een hoofdstel waarmee een paard gemend wordt
    Hij moest nog een breidel voor het paard aanschaffen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘toom’ voor het eerst aangetroffen in 1220

Vertalingen

Engelsbridle, check, restraints
Spaansbrida, rienda