toom
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (paardrijden) riem of koord waarmee men een rij- of trekdier bestuurt, zowel gebruikt voor elke riem afzonderlijk, als voor beide samen.
- (van een vlieger) touw of touwtjes waarmee de helling van een op te laten vlieger bepaald wordt, waarvan het stijgen afhangt
- vlucht, koppel (m.n. van wilde eenden)
- bijeenbehorende troep hoenders of eenden
- broedsel
- worp, nest
- (gewestelijk) visrijke plek, plek waarheen de vis trekt
- stel riemen om de borst van een kind, met een leidsel, waaraan men een klein kind laat lopen
Etymologie
* (erfwoord): Oudnederlands tōm, ontwikkeld uit Oergermaans *tauma ‘hoofdstel; bijeenbehorende groep’, door g-syncope uit eerder *taugma (zoals in droom), afleiding bij Indo-Europees *deuk- ‘trekken’, waaruit tijgen. Evenals Nederduits Toom ‘hoofdstel’, Duits Zaum ‘hoofdstel’ en Fries team ‘geschlacht, broedsel, worp’.
Vertalingen
Engelsrein
Fransrêne
DuitsZügel
Spaansrienda
Italiaansredine
Russischузда, уздечка
Poolswodza, lejc, cugiel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek