toom

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. paardrijden (paardrijden) riem of koord waarmee men een rij- of trekdier bestuurt, zowel gebruikt voor elke riem afzonderlijk, als voor beide samen.
  2. (van een vlieger) touw of touwtjes waarmee de helling van een op te laten vlieger bepaald wordt, waarvan het stijgen afhangt
  3. vlucht, koppel (m.n. van wilde eenden)
  4. bijeenbehorende troep hoenders of eenden
  5. broedsel
  6. worp, nest
  7. (gewestelijk) visrijke plek, plek waarheen de vis trekt
  8. stel riemen om de borst van een kind, met een leidsel, waaraan men een klein kind laat lopen

Etymologie

* (erfwoord): Oudnederlands tōm, ontwikkeld uit Oergermaans *tauma ‘hoofdstel; bijeenbehorende groep’, door g-syncope uit eerder *taugma (zoals in droom), afleiding bij Indo-Europees *deuk- ‘trekken’, waaruit tijgen. Evenals Nederduits Toom ‘hoofdstel’, Duits Zaum ‘hoofdstel’ en Fries team ‘geschlacht, broedsel, worp’.

Vertalingen

Engelsrein
Fransrêne
DuitsZügel
Spaansrienda
Italiaansredine
Russischузда, уздечка
Poolswodza, lejc, cugiel