Botter

mannelijk (de)/ˈbɔtər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) een visserschip met een platte bodem, dat gemaakt werd vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw
    Kenners beschouwden botters, die als vissersvaartuigen op de Zuiderzee, de Noordzeekust en de Waddenzee gebruikt werden als snelle en elegante schepen.

Etymologie

* van botten