Bosweg

mannelijk (de)/'bɔswɛx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. weg door een bos
    Op een bosweg aan de rand van Domaine de Montard waren bandensporen gevonden. {{Aut|Berg, Michael
    Ze waren nog niet halverwege de heuvelige bosweg door Ubbergen of Jolanda en Max, ieder aan hun eigen kant van de achterbank, begonnen hun hoofden met geweld tegen de portierruit te slaan. {{Aut |Olde Heuvelt, Thomas
    We wandelen op de Chemin des Russes, een bosweg te midden van het Grote Woud van Saint-Hubert, de groene long van België. Maar schijn bedriegt. Onze gids wijst naar de kruin van de monumentale beuken. De zomer is er nog niet eens echt, maar links en rechts zijn al volop bladeren aan het vergelen, als was de herfst al in aantocht. En wat verder staan enkele beuken met een kruin vol dood hout. Op de begane grond zijn opvallend weinig jonge bomen en planten te vinden. de Standaard ZATERDAG 17 JUNI 2017

Vertalingen

Engelsforest road, logging road, forestry road