Bocht

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɔxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) van richting veranderende, gebogen weg of pad, kromming
    Hij ging veel te snel door de bocht.
    Zijn er dan toch grenzen aan het sadisme? Wie het haalt tot de laatste bocht naar links, weet het antwoord.
    In mijn fantasie zat er achter elke boom een beer, klaar om mij te verslinden. Dagen achter elkaar was er niemand te bekennen, waardoor ik me nog kwetsbaarder voelde, en ik begon bij elke bocht hard te zingen om eventuele beren te waarschuwen dat ik eraan kwam.
  2. brede baai aan de kustlijn
    De Australische Bocht.
zelfstandig naamwoord
  1. drinken, informeel (drinken), (informeel), (m.n. alcoholische) drank of andere substantie van slechte kwaliteit
    Dat brouwsel is echt bocht.

Etymologie

*[B] van Middelnederlands "becht" / "bacht" "drek"

Uitdrukkingen

  • je in allerlei bochten wringenop een erg ingewikkelde, moeilijke manier je doel bereiken
  • te kort door de bocht gaanveel te snel en makkelijk tot een conclusie komen (die dan ook fout is)

Vertalingen

Engelscurb, curve, bend
Franscourbe, baie
DuitsFusel
Spaanscurva, golfo
Italiaanscurva, baia
Portugeesbaía
Russischизгиб, кривая, поворот
Chinees海湾
Poolszakret, zatoka
Zweedskurva, vik
Deensbugt