zwik
mannelijk (de)/zʋɪk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kuiperij) een houten pin waarmee een zwikgat afgedicht kan worden
- (pregnant) ~ zwak: Proost!
- (bouwkunde) hoekstuk tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervanSporen van pinakels op de aanzetten. Van de transeptgevels bevat de zuidelijke een versierde poort (midden-XV) met korfboog, waarboven een geprofileerde spitsboog; het boogveld is in drie vakken verdeeld, waarin traceeringen en lijst met bladornament. In de zwikken is een boogfries en op den spitsboog zijn hogels. Het geheel is besloten tusschen twee stijlen, elk met twee beeldnissen met draagsteen en baldakijn.
- (verouderd) "penis"Tis noch niet langh e leen dat Dirredomdeyne van een leelicke Vryer een moye Keurs kreegh, Om dat sy heur oxhooft tot sijn swickje wat e lient hadt
- het zwikken (van een lichaamsdeel), verstuiking
- (kaartspel) winnende slag van drie gelijke kaarten (bijv. drie boeren of drie azen)
- (figuurlijk) (informeel) aanzienlijke hoeveelheid, een groot aantal (van bij elkaar horen voorwerpen, artikelen, mensen e.d.)een zwik artikelen
- (figuurlijk) (informeel) vnl. verkleinwoord spullen, mikmak, zooitjeNeem dat hele zwikje maar weer mee.
Etymologie
* [5] [6][7] Voor het eerst aangetroffen in het Bargoens , zwik(je) in de betekenis van ‘een slag (bij kaartspel)’ (1897). Later ook in de figuurlijke betekenis van "een groot aantal”, “spullen”. Mogelijk een toespeling op de heildronk: „Zwik zwak” [1.1].
Vertalingen
Engelspeg, plug, spandrel
Fransbonde, écoinçon, pieu
DuitsZwickel, Zapfhahn, Zwickel
Spaansenjuta, esquince, torcedura
Italiaansdistorsione
Portugeesenjunta
Zweedssvickel, spandrill
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek