zweven

/ˈzwevə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. vliegen zonder energie te gebruiken
    Hij zweefde boven de afgrond.
    Terwijl ik liep voelde het alsof ik zweefde en neerkeek op mijn lichaam dat zich moeiteloos voortbewoog.
  2. zichzelf drijvend voortbewegen
    De stemmen van Lysbeth en Otto zweven over de tegels.
    En er zijn de volkswijsheden, de populaire waarheden die door de ether lijken te zweven en die je daaruit kunt plukken precies op het moment dat je ze nodig hebt.
    Een eigenschap van de adelaar is dat hij op zijn vleugels zweeft.
  3. heen en weer laten gaan
    De koersen waren weer lekker aan het zweven vandaag...

Etymologie

* In de betekenis van ‘drijven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100

Uitdrukkingen

  • zweven tussen leven en doodzo ziek zijn dat men dreigt te sterven
  • zweven tussen hoop en waanzinin zeer grote onzekerheid verkeren

Vertalingen

Engelsfloat, hover
Duitsschweben, segeln
Spaanscernerse, planear