zwembad

onzijdig (het)/ˈzwɛmbɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zwemmen (zwemmen) een bassin om in te zwemmen
    Ze maakten 's winters het zwembad leeg.
    Een reeds lang geleden gesloten hotel met een verschoten lichtbak die de reiziger een zwembad en kamer met tv belooft.
    We kampeerden in het wild langs beken en zagen zelden andere mensen. Een warme douche of zwembad zat er niet in.
  2. een inrichting om te zwemmen
    De jeugd gaat tegenwoordig graag naar het zwembad op een warme zomerse dag.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zwembassin’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1720

Vertalingen

Engelsswimming pool, swimming-bath, swimming-pool
Franspiscine
DuitsSchwimmbad, Schwimmbecken
Spaanspiscina, alberca
Italiaanspiscina
Portugeespiscina
Chinees游泳池
Japansプール
Poolsbasen pływacki
Zweedssimbassäng
Deenssvømmebassin