zweer
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) ontstoken plek, infectieHij heeft een zweer op zijn hand.
Etymologie
* In de betekenis van ‘ontsteking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsulcer
Fransulcère
DuitsUlcus, Ulkus
Spaansúlcera, llaga
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek