zweep
mannelijk/vrouwelijk (de)/zwep/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delenOver Aristoteles, die toch alom bekendstond als de wijste man uit de Oudheid, deed in de christelijke tijd het (apocriefe) verhaal de ronde dat hij verliefd was geworden op Phyllis, de vrouw van Alexander de Grote, en dat zij zijn begeerte voor haar had afgestraft door hem op handen en voeten te laten rondkruipen met een zweep in zijn mond - wat onbezonnen lieden erop moest wijzen hoezeer lust het verstand kon overvleugelen.Toen maakte Jezus een zweep van samengevlochten koorden en joeg hij de dieren uit de tempel.
Etymologie
* In de betekenis van ‘karwats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Uitdrukkingen
- De zweep erover/erover leggen — Iets aanjagen, opdrijven, stimuleren
- Het klappen van de zweep kennen — Ergens goed van op de hoogte zijn
Vertalingen
Engelswhip
Fransfouet
Spaanslátigo
Russischкнут, плеть
Deenspisk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek