zweem

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spoor
    Er was geen zweem van berouw te herkennen.
    Hoewel boeren in beide regelingen geld ontvangen om met hun bedrijf te stoppen, verschillen de doelen, middelen en de uitvoerder van de regeling. Wel is er één belangrijke overeenkomst: uitkopen gaat altijd vrijwillig. "Er zal nooit een zweem van verplichting aan zitten", verduidelijkt een woordvoerder van het Interprovinciaal Overleg (IPO).
    Ik moest dat zweempje blauw te pakken krijgen, die weerschijn van het colbert in die koude staalgrijze ogen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘vleugje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1773

Vertalingen

DuitsSpur, Hauch, Schimmer