zwabberen
/ˈzwɑbərə(n)/
Betekenis
werkwoord
- heen en weer bewegen, zwalkenHoe hij destijds ook zo heen en weer aan het zwabberen was met zijn armen uitgestrekt, toen we in een ander land woonden.
- (ov) het reinigen met een zwabberDie huisvrouw zwabbert elke dag.Wanneer ik daar zat, verscheen elke morgen een man in een blauwe overall die het dek kwam zwabberen.
Etymologie
*[2] van zwabber "schoonmaakhulpmiddel" die de infinitief van een werkwoord vormt
Uitdrukkingen
- Een zwabberend beleid — Een wispelturig beleid
Vertalingen
Engelsmop
Fransnettoyer avec un balai à franges
Duitsmoppen
Spaansbarrer con una mopa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek