zult

mannelijk (de)/zʏlt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) van de kop van het varken vervaardigd gerecht, meestal enigszins zuur
    Ik hou niet van zure zult.
  2. verouderd (verouderd) pekel of andere vloeistof gebruikt voor het conserveren van voedsel
werkwoord
  1. tweede persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd van zullen
    "Je zult", "ge zult" en "u zult" zijn alledrie goed Nederlands.
    'Denk eens aan alles wat je te eten zult krijgen, Nella,' had haar broer Carel gezegd.
    Wee u, die nu overvloed hebt, want gij zult hongeren.

Etymologie

* "zulten" zonder de uitgang -en