zuipster

vrouwelijk (de)/ˈzœypstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, pejoratief (persoon) (pejoratief) vrouw die teveel alcoholische dranken drinkt
    Terwijl de voetbalkantines en kroegen gonzen van de Katja Stuurloos-grappen (Is zij een soapster? Nee een zuipster!), verdiep ik mij in de voorkenniszaak van het uitzendbureau Content.

Etymologie

*afgeleid van "zuipen"