zoomlens
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzumlɛns/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een lens waarmee kan worden ingezoomd op iets ver wegs.
Etymologie
* In de betekenis van ‘lens met variabele brandpuntsafstand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1958
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek