Zoom

mannelijk/vrouwelijk (de)/zom/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rand aan de buitenkant
    Warmer water knabbelt aan de winterse zoom van de Herengracht, die haar doet denken aan opengewerkt kant, de voering van een reusachtige wieg.
    Aan de zoom van het bos is in het donker nog net een weitje te ontwaren, dat de heuvel afloopt tot de volgende bosrand.
  2. tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
    Ik moet er nog even een zoom in zetten.
    Dan denkt ze achter zich iemand te horen inademen, en er strijkt iets langs de zoom van haar jurk.
    Cornelia strijkt met haar hand over de zoom van Marens wijde rok, waarvan de zachte, zwarte wol plezierig aanvoelt.

Etymologie

*[B] van "zoom"

Vertalingen

Engelsborder, brim, brink
Spaansborde, linde, orilla