zonneklep

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klep, die met een soort haarband op het hoofd wordt gedragen, zodat de zon niet in de ogen kan schijnen
    De behaaglijke maart-zon verwarmt de terrassen op de Grote Markt in Den Haag. Korte mouwen, zonneklepjes, grote modieuze zonnebrillen en een paar bleke kuiten. Maar rokjes? Ze zijn er nog niet. En op de boulevard van Scheveningen lopen zelfs enkele stelletjes met dichtgeritste winterjassen aan.de Telegraaf NIELS KALKMAN 29 mrt. 2017
  2. voorziening in bijvoorbeeld een auto om er voor te zorgen dat de zon niet in je ogen schijnt
    De chauffeur uit Diphoorn, die lichtgewond raakte, stelt dat hij de trein niet heeft gezien en met lage snelheid reed. ,,Ik had geen haast en wilde niet even vlug voor de trein langs.” Hij verklaarde tegen de kantonrechter dat hij goed had gekeken bij het oversteken. De weersomstandigheden vond hij wel lastig. Het was gestopt met regenen en er hing een laagstaande zon. Maar het zicht was volgens hem voldoende. Daarom droeg hij geen zonnebril en waren de zonnekleppen van de melkwagen niet naar beneden.de Telegraaf 20 nov. 2017

Vertalingen

Engelssun visor, eyeshade