zon
mannelijk/vrouwelijk (de)/zɔn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (astronomie) de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat o.a. de aarde het daglicht schenktAls de zon schijnt, gaan veel mensen graag naar buiten.Zo zag ik erg op tegen onbekende gevaren op de trail zoals ratelslangen, beren, steile bergen, felle zon en hoge temperaturen in de woestijn.
Etymologie
:Oost: : sunno
Uitdrukkingen
- Achter de wolken schijnt de zon — alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter
- Alleen de zon gaat voor niets op — voor welvaart moet gewerkt worden, niks is gratis
- Als sneeuw voor de zon verdwijnen — ergens niets van over blijven
- De zon niet in het water kunnen zien schijnen — jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen
- er is niets nieuws onder de zon — de geschiedenis herhaalt zich steeds weer
- voor niets gaat de zon op — voor alle andere dingen moet je betalen
- het zonnetje in huis zijn — een opgewekt persoon zijn
- Wie boter op zijn hoofd heeft moet niet in de zon gaan lopen — als je zelf iets gedaan hebt wat verkeerd is, moet je een ander niet van beschuldigen als die hetzelfde gedaan heeft
Vertalingen
Engelssun
Franssoleil
DuitsSonne
Spaanssol
Italiaanssole
Portugeessol
Russischсолнце
Japans太陽
Koreaans해, 태양, 일
Arabischشَمْس, شمس
Turksgüneş
Poolssłońce
Zweedssol
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek