zoetigheid

vrouwelijk (de)/ˈzutəxhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) etenswaar met een zoete smaak
    Wil je wat zoetigheid op de boterham of liever iets hartigs?

Etymologie

*Afgeleid van zoetig .

Vertalingen

DuitsSüßigkeit