zoeaaf
mannelijk (de)/zuˈwaf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (militair) (geschiedenis) soldaat van een historisch legeronderdeel van Frankrijk dat oorspronkelijk uit Algerijnse Berbers bestondDe zoeaven hebben bestaan van 1831 tot 1962.
- (militair) (geschiedenis) lid van de Vaticaanse ordedienst, gevormd uit rooms-katholieke jongemannen die als vrijwilliger werden geworvenDat hij ooit als kleine jongen martelaar of zoeaaf, soldaat van de paus, wilde worden – het zal wel. Nooit meer zet hij een voet in die zogenaamd zo mooie dwangburcht.
Etymologie
**[2] bij uitbreiding in de betekenis van ‘lid van de Vaticaanse ordedienst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1863
Vertalingen
Engelszouave
Franszouave
DuitsZuave
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek