zittingsperiode
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- tijd dat iets of iemand een bepaalde functie vervultNederland staat er financieel weer goed voor. Het Centraal Planbureau (CPB) presenteerde vrijdag mooie cijfers. Als het nieuwe kabinet niets doet, houdt het aan het einde van zijn zittingsperiode 11 miljard euro per jaar over.
- tijd dat een vergadering, college of raad bij elkaar komtDe Kamervoorzitter van de vorige zittingsperiode, Khadija Arib, leidde de vergadering. Ze sprak haar medeleven uit met haar Britse collega's, die woensdag werden opgeschrikt door een terroristische aanslag bij het parlement in Londen.
Vertalingen
Engelsterm of office
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek