zitje

/ˈzɪcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tafel met enkele stoelen als zitgelegenheid in op plaatsen als een kantoor, wachtkamer, tuin of terras
    Laten we even gaan zitten op het zitje bij de patatkraam.
  2. meubel (meubel) kleine, vaak afgeschermde zitplaats voor een klein kind
    Haal jij even het zitje uit de andere kamer?
  3. transport (transport) voor een kind veilige zitplaats in een auto of op een fiets
    Het zitje moet goed worden vastgezet.
  4. transport (transport) eenpersoons zitplaats op een motorfiets
    Een sport- of racemotor heeft meestal geen zadel of buddy maar een slechts een zitje .

Etymologie

*afgeleid van "zit"