zitje
/ˈzɪcə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- tafel met enkele stoelen als zitgelegenheid in op plaatsen als een kantoor, wachtkamer, tuin of terrasLaten we even gaan zitten op het zitje bij de patatkraam.
- (meubel) kleine, vaak afgeschermde zitplaats voor een klein kindHaal jij even het zitje uit de andere kamer?
- (transport) voor een kind veilige zitplaats in een auto of op een fietsHet zitje moet goed worden vastgezet.
- (transport) eenpersoons zitplaats op een motorfietsEen sport- of racemotor heeft meestal geen zadel of buddy maar een slechts een zitje .
Etymologie
*afgeleid van "zit"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek