zijpen

/ˈzɛɪpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) druipen, druppelen
    De kraan heeft urenlang gezepen.
  2. erga (erga) druppelend ergens terechtkomen
    Kijk eens hoeveel er op de grond gezepen is.

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands sīpen, ontwikkeld uit Oergermaans *sīpan-, bij Indo-Europees *seib-, waartoe ook Oudgrieks eíbein ‘laten vloeien’ behoort. Evenals Nederduits siepen ‘sijpelen, druppelen’, Engels seep ‘sijpelen’ en Deens sive ‘langzaam vloeien of lekken’.