zigzaggen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) een koers volgen die dan weer de ene kant dan weer de andere kant heengaat
    Er werd gezigzagd om de trefkans te verlagen.
  2. erga (erga) met een zigzaglijn zich ergens naartoe bewegen
    Hij was naar de overkant van het veld gezigzagd.
    Maar er lagen nogal wat versperringen en tijdens het rennen had hij naar rechts moeten uitwijken. In het begin had hij de lijn gevolgd die door de luitenant was uitgezet, maar met die fluitende kogels en granaten ga je uiteraard zigzaggen. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Af en toe wierp hij een blik op Haralds slaapkamerraam, waarachter het licht de hele tijd brandde. Vanaf daar liepen de brandtrappen zigzaggend naar beneden.
  3. ov (ov) iets naaien met een zigzagsteek
    De complete lap wordt dus eerst gezigzagd tegen het rafelen en gaat voor het naaiproces in de wasmachine.

Etymologie

*hier komt de etymologie van het woord-->