zieden

/ˈzidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) droogkoken, [grondstoffen] zuiveren of raffineren door ze aan de kook te brengen; met name van pekel of suiker of zeep
    In Zwijndrecht werd vroeger gezoden ter wille van de zoutwinning.
  2. ov (ov) [een chemische verbinding] bereiden door de grondstoffen te koken; met name van zeep, verf of vernis
    Het productieproces van zeep begon vroeger door vet samen met loog te zieden, zodat het vet verzeepte.
  3. erga (erga) koken, zo heet zijn dat het kookpunt bereikt wordt
    Laat de pan eerst heet worden, doe er dan boter in tot deze ziedt en leg ten slotte het vlees erbij.
werkwoord
  1. koken
  2. inerg, figuurlijk (inerg), (figuurlijk) ~ van [een (meestal negatieve) emotie]; hevig beroerd worden
    Toen Agamemnon hem zijn beloofde krijgsbuit Bryseis onthield, ziedde Achilles van woede en trok zich terug in zijn tent.

Etymologie

*Van het Oergermaanse *seuþan ("koken, zieden"). Cognaten zijn onder meer het Oufriese siatha (Fries siede), het Oudsaksische sioðan, het Oudhoogduitse siodan (Duits sieden), het Oudengelse sēoþan (Engels seethe) en het Oudnoorse sjóða (Zweeds sjuda).

Uitdrukkingen

  • geraffineerd op basis van ruw zout, niet van een andere zilte stof
  • zieden van woedeuitzonderlijk kwaad zijn

Vertalingen

Duitskochen, sieden, kochen