zendtijd

mannelijk (de)/ˈzɛntɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de tijdsduur van een uitzending van een radio- of televisieprogramma
    Publieke omroepen krijgen een bepaalde hoeveelheid zendtijd toebedeeld op basis van het aantal leden van de desbetreffende omroep.

Vertalingen

Engelsbroadcasting time, airtime