zelfvertrouwen

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
    Zijn zelfvertrouwen kreeg daardoor een flinke deuk.
    De dagen daarna sliep ik steeds alleen, en langzaam maar zeker groeide mijn zelfvertrouwen.
    Jezus! Waren ze plotseling allemaal miljonair? Wat verder de behoefte aan cashflow betrof, vervolgde directeur Solveig de presentatie met onverstoorbaar zelfvertrouwen, werden natuurlijk alle huurinkomsten overgeheveld naar rentekosten en herstelwerkzaamheden om het bedrijf niet te belasten met onnodige belastinguitgaven.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘geloof in zichzelf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1784

Vertalingen

Engelsself-confidence, self-reliance
DuitsSelbstvertrauen