zeildag

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dag dat men (uit)zeilt
    Hoezeer hij zich bij ons op zijn gemak voelt blijkt al op de tweede zeildag. Robbie doet geen moeite meer om zijn stuurmanswerk te onderbreken voor een sanitaire stop. Hij plast vrolijk overboord terwijl hij ons toelacht dat we 'hem' wel even vast mogen houden. Zodra Rob in de gaten heeft dat Esther een ervaren zeilster is, lost hij het anders op. We zijn de haven nog niet uit of hij zegt: 'Esthurrmr, ik moet plassen. Om zich vervolgens aan dek urenlang, luid snurkend, in de zon te wentelen terwijl Esther stuurt.{{Aut|Zwagerman, Marianne
  2. de dag dat men uitzeilt