zeik
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (informeel) urineDie koffie smaakt naar uilenzeik
- (figuurlijk), (informeel) vervelend gedoeBah, al die zeik!
- (figuurlijk), (informeel), (meteorologie) (zware) regenWe hebben de hele tijd door de zeik gelopen.
Uitdrukkingen
- Iemand door de zeik halen — Iemand publiekelijk voor gek zetten; iemand veel overlast bezorgen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek