zeepbel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzebɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringtKinderen blazen graag zeepbellen.
- (figuurlijk) iets dat heel aantrekkelijk lijkt, maar vervolgens een misleiding blijkt te zijnIn Fitzgeralds droombeeld was New York het toppunt geweest van jeugdige overmoed en zorgeloze expansie. Die zeepbel werd door de grote crisis doorgeprikt.
- (figuurlijk) (economie) een zichzelf versterkende ontwikkeling waarbij de prijs van bepaalde goederen, activiteiten of bedrijven eerst overdadig stijgt, om dan doorgaans uit te lopen op een grote plotselinge waardedalingEigenlijk bestond de beurscrisis van 1720 uit drie zeepbellen die achtereenvolgens uiteenspatten in Parijs, Londen en Amsterdam. De overspannen winstverwachtingen gingen in rook op en lieten een spoor van verwoesting achter. Een enkeling stapte tijdig uit en streek een mooie winst op, maar zoals bij elk piramidespel waren er aan het einde van de rit voornamelijk verliezers.In het begin van de 21e eeuw sprong de .com-economie als een zeepbel uit mekaar.
Uitdrukkingen
- als een zeepbel uit elkaar spatten
Vertalingen
Engelssoap bubble
Fransbulle de savon
DuitsSeifenblase
Spaanspompa de jabón
Italiaansbolla di sapone
Russischмыльный пузырь
Japansシャボン玉
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek