zeel

onzijdig (het)/zel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sterke brede band waarmee men iets voorttrekt of vastbindt. Arch. (1811) Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811
    (…) jongers en ongehuwde meiskens zingen lofzangen, en achten zich geluckigh, datze de hant aen het zeel mogen slaen.

Etymologie

*>Middelnederlands zeel > *sailo-, een -l- afleiding van een proto-Indo-Europese wortel *si, *sai -«binden», vgl : sinu, :ἱμάς -«riem»Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892

Uitdrukkingen

  • aan hetzelfde zeel trekken.goed samenwerken