zeehond
mannelijk (de)/ˈzehɔnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (roofdieren) benaming voor zeezoogdieren uit de familieZeehonden vertoeven in de noordelijke zeeën en maken een blaffend geluid.
- bepaald soort zeezoogdier,
Etymologie
*van Middelnederlands "seehont", op te vatten als , in de betekenis van ‘zeeroofdier’ aangetroffen vanaf 1293
Vertalingen
Engelsseal
Fransphoque
DuitsSeehund
Spaansfoca
Italiaansfoca
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek