zagen

/ˈzaɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in stukken delen door middel van een zaag
    Ik moet nog wat hout zagen.
  2. inerg (inerg) op vervelende wijze spreken, zeuren
    Klagen en zagen, het is voor hem dagelijkse kost.

Vertalingen

Engelssaw
Fransscier
Duitssägen
Spaansserrar, aserrar
Italiaanssegare
Portugeesserrar
Russischпилить
Poolspiłować
Zweedssåga
Deenssave