zadel
/ˈzadəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zitplaats op de rug van een (rij)dier
- zitplaats op een (gemotoriseerde) fiets
- (muziek) deel van een muziekinstrument waar de snaren strak over gespannen zijn, kam
- bergpasWe moesten nog slechts enkele meters lopen totdat we het zadel van de Forester Pass hadden bereikt.
- bevestiging voor kabels en leidingen
- lendenstuk (vgl. kalfszadel, lamszadel)
Etymologie
*van Middelnederlands "sadel", in de betekenis van ‘zitting’ aangetroffen vanaf 1270; in Oudnederlands als "sadal" aangetroffen als deel van een plaatsnaam, mogelijk van Oudslavisch sedlo
Uitdrukkingen
- in het zadel helpen
- Iemand uit het zadel lichten — iemand zijn positie doen verliezen, iemand ontslaan
- Iemand uit het zadel werpen — Iemand wegwerken, iemand in verlegenheid brengen
- Vast in het zadel zitten — zeker van iemands positie zijn in een organisatie
Vertalingen
Engelssaddle
Fransselle
DuitsSattel
Spaanssilla
Italiaansselle
Portugeessela
Russischседло
Chinees鞍
Japans鞍
Koreaans안장
Arabischسرج
Turkseyer
Poolssiodło
Zweedssadel
Deenssaddel, sadel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek