zadel

/ˈzadəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zitplaats op de rug van een (rij)dier
  2. zitplaats op een (gemotoriseerde) fiets
  3. muziek (muziek) deel van een muziekinstrument waar de snaren strak over gespannen zijn, kam
  4. bergpas
    We moesten nog slechts enkele meters lopen totdat we het zadel van de Forester Pass hadden bereikt.
  5. bevestiging voor kabels en leidingen
  6. lendenstuk (vgl. kalfszadel, lamszadel)

Etymologie

*van Middelnederlands "sadel", in de betekenis van ‘zitting’ aangetroffen vanaf 1270; in Oudnederlands als "sadal" aangetroffen als deel van een plaatsnaam, mogelijk van Oudslavisch sedlo

Uitdrukkingen

  • in het zadel helpen
  • Iemand uit het zadel lichteniemand zijn positie doen verliezen, iemand ontslaan
  • Iemand uit het zadel werpenIemand wegwerken, iemand in verlegenheid brengen
  • Vast in het zadel zittenzeker van iemands positie zijn in een organisatie

Vertalingen

Engelssaddle
Fransselle
DuitsSattel
Spaanssilla
Italiaansselle
Portugeessela
Russischседло
Chinees
Japans
Koreaans안장
Arabischسرج
Turkseyer
Poolssiodło
Zweedssadel
Deenssaddel, sadel