zaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/zal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een grote ruimte in een gebouw
    De zaal werd geopend voor het publiek.
    Onverstoorbaar nam hij een dienblad van de bar, waarna hij begon aan een rondgang door de zaal.
    Ze probeert zich een voorstelling te maken van de zaal van de zilversmeden, een vertrek vol waterig licht, borden als enorme munten, de gasten gereflecteerd in elk oppervlak.
  2. het publiek in een grote ruimte
    De band kreeg de zaal helemaal plat.
    De hele zaal stond op de banken tijdens zijn performance.

Etymologie

* In de betekenis van ‘groot vertrek’ voor het eerst aangetroffen in 639

Vertalingen

Engelslounge, parlour, salon
Spaansgran sala, local, sala